Zwanger wat nu?
Max Paumen
Editie: 8 2007
Instellingen willen de veiligheid van een kind van een cliënt garanderen. Dat moet al gebeuren tijdens de zwangerschap. Soms is het moeilijk om verantwoordelijke instanties rond de tafel te krijgen, omdat het kind er nog niet is.
TriAde, een instelling in Flevoland, kreeg met de veiligheid van een ongeboren baby te maken toen cliënt Sharisma (23) zwanger bleek te zijn. Gianni is nu zes maanden en een makkelijke baby. Met zijn moeder Sharisma (23) heeft hij een sterke band. ‘Als ik even weg ben, gaat hij al huilen’, vertelt Sharisma. Ze woont in een moeder-kindhuis van TriAde-Boschhuis in Almere. Dit is een nieuw project waar uiteindelijk acht moeders met kinderen komen te wonen. Sharisma: ‘Als ik hier niet was komen wonen, hadden ze mijn kindje afgepakt. Het kleintje heeft een gezinsvoogd. Iedere maand komt hij langs. Als hij er is ben ik zenuwachtig. Mijn vriend (de vader van Gianni) of mijn moeder zitten er dan bij om mij te steunen.’ Sharisma was vier maanden zwanger toen ze het ontdekte. ‘Ik werd een beetje dik en dacht dat het kwam omdat ik te veel patat at. Mijn moeder vond dat ik een zwangerschapstest moest doen. Inderdaad bleek ik zwanger te zijn.’ Ze woonde in die tijd in een andere woning van TriAde. De moeder van Sharisma lichtte de begeleiding in over haar zwanger¬schap. Het was nodig om actie te ondernemen om de veiligheid van het kind te garanderen.
Ondersteuning noodzakelijk
‘Onze inschatting was dat het om een risico¬volle situatie ging op basis van de beperking van Sharisma en haar onvoorspelbare gedrag in de afgelopen jaren’, vertelt Johan Timmer, orthopedagoog bij TriAde, die betrokken was bij de begeleiding van Sharisma. ‘Ook haar moeder was bang dat zij zonder goede ondersteuning niet in staat zou zijn om voor een kind te zorgen.’ Timmer nam daarom contact op met het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling (AMK) in Almere. ‘Ze konden nog niets doen, werd gezegd, omdat het kind nog niet geboren was. Wel kon ik melding doen onder mijn eigen naam, niet die van de cliënt, om zo een dossier op te bouwen. We wilden Sharisma intussen bewe¬gen in een moeder-kindwoning van TriAde te gaan wonen. Zolang ze daaraan zou mee¬werken, was er volgens het AMK niets aan de hand. Maar mocht ze zich onttrekken aan het toezicht van TriAde, dan moest ik weer aan de bel trekken en zouden ze in actie komen. Ik voelde me een beetje in de steek gelaten door het AMK, terwijl je in zo’n situ¬atie juist behoefte hebt aan iemand die met je meekijkt.’
Risicofactoren
Ondanks het ontmoedigingsbeleid dat wordt gevoerd, worden mensen met een verstan¬delijke beperking zwanger en krijgen ze kinderen. Een voorzichtige schatting is dat minder dan vijf procent van de verstande¬lijk gehandicapten kinderen krijgt. Dit blijkt uit een onderzoek uit 2005, uitgevoerd door de Universiteit van Amsterdam in opdracht van het ministerie van VWS. Daarin werden 1500 gevallen van ouderschap bij deze groep bekeken. Conclusie is dat het niet in al deze gezinnen kommer en kwel is: bij eenderde is sprake van ‘goed genoeg’ ouderschap. De verstandelijke handicap en de hoogte van het IQ blijken niet de belangrijkste indicator voor de kans op succes of mislukking. Het gaat altijd om een samenspel van risicofac¬toren die elkaar negatief versterken, zoals het ontbreken van een sociaal netwerk en nare jeugdervaringen. Als er voldoende bescher¬ming en hulp aanwezig is blijken deze ouders een eigen gezin te kunnen runnen. Belangrijk daarbij is de bereidheid deze hulp te accepte¬ren. Deze blijkt hoger te zijn als iemand zijn verstandelijke beperking accepteert. Bij Sharisma hadden de hulpverleners van TriAde redenen om extra alert te zijn. Timmer: ‘Wij konden ons niet permitteren dat er iets mis zou gaan. Want dan zouden alle vingers onze kant op wijzen.’ Sharisma werkte aanvankelijk mee, maar na een paar maanden begon ze zich af te zetten tegen de begeleiding, zoals wel vaker gebeurde. De angst bestond dat ze haar biezen zou pakken en uit het zicht zou verdwijnen. Timmer: ‘Ik zocht daarom weer contact met het AMK. Ze bleven er aanvankelijk bij dat het ons pro¬bleem is.’ Timmer ging daarom te rade bij de William Schrikker Groep (WSG) in Diemen. Deze organisatie heeft een Expertisecentrum Jeugdzorg-Gehandicaptenzorg en houdt zich bezig met gespecialiseerde jeugdzorg voor kinderen met een handicap en kinde¬ren van ouders met een beperking. ‘Het is niet gemakkelijk om een formele melding te doen bij het AMK als van een moeder van een ongeboren kind wordt verwacht dat haar opvoederschap onvoldoende zal zijn’, ver¬telt staffunctionaris Yvette de Beer van de WSG. ‘Meestal wordt gewacht totdat het kind geboren is en wordt direct na de geboorte een Voorlopige Ondertoezichtstelling (VOTS) uitgesproken. Of er wordt gewacht totdat er aanwijsbare problemen zijn.’
Maatschappelijk probleem
De William Schrikker Groep vond het daarom nodig een overleg te organiseren over Sharisma en haar ongeboren baby met de betrokken partijen: TriAde, een vertrou¬wensarts van het AMK en de GGD. Yvette de Beer: ‘Wij vinden dat het om een maatschap¬pelijk probleem gaat, waarvoor niet alleen TriAde verantwoordelijk is. Het is daarom belangrijk iemand te hebben die met je meekijkt.’ Het AMK kwam na het overleg in actie en zorgde ervoor dat via de Raad voor de Kinderbescherming een VOTS zou wor¬den uitgesproken direct na de geboorte. Dat betekent dat er meteen na de geboorte een gezinsvoogd zal langskomen om poolshoogte te nemen. Het AMK is verbaasd over deze moeizame gang van zaken. ‘Wij hebben ook een taak als het om ongeboren kinderen gaat’, zegt Gert van Harten, woordvoerder en manager van het AMK in Gelderland. ‘Ik kan me niet voorstellen dat er AMK’s zijn die dat anders zien.’ Volgens Van Harten gebeurt het regel¬matig dat een (V)OTS en uithuisplaatsing zodanig geregeld worden dat de hulpverle¬ners het kind ‘opvangen’ zodra het wordt geboren. ‘Je kunt natuurlijk wel van mening verschillen over wel of niet ingrijpen. Als de aanstaande moeder een stevig netwerk heeft, is een OTS niet altijd nodig.’ De wet biedt ook de mogelijkheid om een kind al voor de geboorte onder toezicht te stellen. Hiervan wordt nauwelijks gebruik gemaakt. De WSG pleit ervoor dit vaker te overwegen. ‘Uit de jurisprudentie blijkt dat het slechts een enkele keer is gebeurd. Terwijl wij vinden dat het goed is om zo vroeg mogelijk in te grijpen als je onverantwoord ouderschap voorziet en de moeder hulp wei¬gert. De WSG ziet daar in de praktijk talloze voorbeelden van.’
Ondertoezichtstelling
Sharisma was nog niet op de hoogte van alle ontwikkelingen rondom haar zwangerschap. De vertrouwensarts van het AMK heeft haar ingelicht over de voorlopige ondertoezicht¬stelling en haar verteld dat er meteen na de bevalling een gezinsvoogd zou langskomen. Er werd benadrukt dat het niet de bedoeling was het kind te komen weghalen, maar om te kijken hoe het zou gaan. Sharisma nam dit goed op, vooral omdat de nadruk werd gelegd op het belang van goede verzorging. Wel vindt ze het vervelend dat er ‘achter haar rug om’ plannen zijn gemaakt en dat ze daar pas laat over hoorde. ‘Ik had al heel veel geld uitgegeven aan het inrichten van de baby¬kamer in mijn vorige huis. Al mijn zakgeld ging daaraan op. Ze hadden beter kunnen zeggen: wacht nog even met die kinderkamer.’ Vier dagen na het gesprek met de vertrou¬wensarts werd Gianni geboren. De dag van de geboorte verliep nogal hectisch. Om twaalf uur kwam Gianni ter wereld in het ziekenhuis. Sharisma en haar baby vertrokken al om drie uur uit het ziekenhuis naar haar ouders. Om half vijf had de rechter de VOTS uitgesproken en was er een voogd onderweg om te komen kijken. Hij ging aanvankelijk naar het zieken¬huis, maar moest zijn route verleggen omdat Sharisma inmiddels bij haar ouders was. Daar constateerde hij dat alles naar wens verliep. Twee weken later verhuisde Sharisma naar de moeder-kind woning van TriAde. ‘Toen ik hier de eerste keer kwam kijken, vond ik het verschrikkelijk’, vertelt Sharisma. ‘Het leek net een gesticht en ik wilde niet eens naar bin¬nen. Maar ik hoorde steeds: kind afpakken, kind afpakken en wilde af zijn van dat gezeur. Daarom heb ik besloten om hier te komen wonen. Uiteindelijk vind ik het een goede beslissing. Want ik heb begeleiding nodig bij het verzorgen en opvoeden van Gianni. Daar ben ik heel eerlijk in.’ Sharisma doet het goed; ze pikt de dingen snel op en de begeleiding hoeft niets meer voor te doen. ‘Als hij huilt vind ik het het moeilijkst. Daar word ik soms onzeker van. Maar ik krijg hem altijd wel stil door hem te troosten, op en neer te lopen of hem bij mij in bed te nemen. Als alles goed gaat, wil ik gaan samenwonen met mijn vriend (de vader van Gianni) of zelfstandig wonen met begeleiding. Daar werken we naar toe en ik hoop dat dat lukt.’

