Veilig en open klimaat cruciaal
Jeroen Wapenaar
Editie: 5 2008
Seksualiteit moet geen losstaand onderdeel zijn van algemeen beleid in instellingen, vindt Marijke Lammers van Movisie. Door het in te bedden in een breder bejegeningsbeleid kunnen incidenten worden voorkomen. De door haar geschreven handreiking Van incident tot fundament kan hierbij helpen.
Al ruim twintig jaar zet Marijke Lammers zich in om instellingen te helpen seksueel misbruik te bestrijden. Ze schreef een groot aantal handreikingen en artikelen over seksualiteit, voor onder meer de Vereniging Gehandicaptenzorg Nederland en de Federatie van Ouderverenigingen. In 2001 begon ze bij TransAct, het expertisecentrum voor de aanpak van huiselijk en seksueel geweld. TransAct is inmiddels opgegaan in Movisie maar Lammers heeft hetzelfde stokpaardje: de aanpak van seksueel misbruik. Ondanks de vele instrumenten die de afgelopen twintig jaar verschenen en hun eigen inspanningen, hebben instellingen nog steeds moeite seksueel misbruik aan te pakken. Volgens Lammers slagen ze er maar mondjesmaat in om het probleem überhaupt bespreekbaar te maken binnen het gebouw. En juist een veilige atmosfeer creëren is cruciaal, zegt de adviseur. Daarom schreef ze een nieuwe handreiking, die instellingen moet helpen om een veilig en open klimaat te bouwen. Hoofdinspecteur Jenneke van Veen en instellingen zijn lovend over de handreiking, die de naam Van incident tot fundament heeft gekregen. Van incident tot fundament verscheen in 2006 en bestaat uit drie elkaar aanvullende instrumenten. De handreiking is geen blauwdruk, maar moet gezien worden als hulpmiddel. Organisaties kunnen de opgenomen informatie toepassen op hun eigen locaties. Het eerste instrument: Een samenhangend beleid rond bejegening, seksualiteit en de preventie en aanpak van seksueel misbruikmaakt helder hoe de aanpak en preventie van seksueel misbruik ingebed kan worden in het algemene beleid van een instelling. Een cruciale stap, volgens Lammers. ‘Anno 2008 worden we doodgegooid met seks. Maar de bespreekbaarheid binnen instellingen zit nog steeds op een te laag niveau. Instellingen moeten de handelingsverlegenheid afschudden en een atmosfeer creëren waarin openlijk over seks gepraat kan worden.’ Anders bestaat het gevaar dat seksualiteitsbeleid een ondergeschoven kindje blijft. ‘In ondersteuningsplannen staat er onder het kopje seksualiteit nog heel vaak: niet van toepassing. Op het moment dat je als bestuurder daar je fiat aan geeft, sta je toe dat er niet over seks gepraat wordt. Met als gevolg dat cliënten hun angsten niet durven delen.’
Veiligheid creëren
In het eerste instrument heeft Lammers daarom diverse schema’s, aandachtspunten en checklists opgenomen, voor te nemen stappen in de implementatie van seksualiteit en preventie. ‘Instellingen moeten een positieve uitstraling hebben en dat begint al bij de intake. Vraag cliënten naar hun leuke en minder leuke ervaringen met seks. Laat ze weten dat ze bang mogen zijn, dat ze met hun twijfels bij mensen terechtkunnen. Cliënten weten vaak niet eens wie de vertrouwenspersoon is, hoe kun je dan seksueel misbruik tegengaan?’ En vergeet vooral de medewerkers niet, waarschuwt Lammers. ‘Gedrag van verstandelijk gehandicapten wordt vaak afgedaan met de opmerking “ach, hij kan er niks aan doen want hij is gehandicapt”. Maar als een gehandicapte naar je borsten grijpt is dat wel degelijk seksuele intimidatie.’
Risicoanalyse
Instrument twee van de handreiking heet Opsporen en beïnvloeden van risicofactoren voor seksueel misbruik. Volgens de auteur draagt een grondige risicoanalyse bij aan het zoveel mogelijk voorkomen van seksueel misbruik. In het instrument staan een tienstappenplan voor de uitvoering van zo’n risicoanalyse, manieren om de inventarisatie in kaart te brengen en een groot aantal risicofactoren met mogelijke acties om deze factoren aan te pakken. De vele stappen die bij een risicoanalyse genomen moeten worden en het grote aantal factoren waarop gelet moet worden, kunnen instellingen afschrikken, geeft Lammers toe. ‘Het uitvoeren kost veel tijd maar als je het klein houdt, dus op locatieniveau, is het echt te doen. En als er een incident plaatsvindt, hoeveel tijd denk je dat je dan kwijt bent? De locatiemanager moet gewoon weten wat er in zijn tent speelt.’ Lammers heeft net als bij het eerste instrument veel praktische handvatten bijgevoegd, zoals vragenlijsten en discussiekaarten. Op de kaarten staan stellingen als ‘Cliënten komen regelmatig bij medewerkers thuis’ en ‘Seksueel misbruik komt in mijn locatie niet voor’. Doel is om hiermee de bespreekbaarheid te vergroten.
Zaakcoördinatie Behandelen instrument een en twee de mogelijkheden om incidenten zoveel mogelijk te voorkomen, instrument drie bespreekt het beleid als seksueel misbruik toch plaatsvindt. In Aanpak van vermoedens en meldingen van seksueel misbruik staan de verschillende procedures voor ‘ernstige en strafbare’ en ‘minder ernstige’ zaken. Het is een uitputtende lijst van taken en bevoegdheden (van de raad van bestuur, vertrouwenspersonen, begeleiders et cetera), te nemen maatregelen na geconstateerd seksueel misbruik en uitleg over de registratie. Vooral in de jaren negentig zijn er veel instrumenten ontwikkeld voor de procedures rond seksueel misbruik. Toch is er behoefte aan een nieuwe handreiking, omdat vaak onduidelijk is wie welke stappen moet nemen als een incident zich voordoet, aldus Lammers. Ze ziet daarin een belangrijke rol voor de zaakcoördinator, de man of vrouw die de aanpak van een melding coördineert. ‘Grondige zaakcoördinatie voorkomt namelijk dat belangrijke informatie verloren gaat.’ Ook het melden zelf zorgt bij instellingen vaak voor problemen. Meldingen komen door alle verschillende protocollen voor grensoverschrijdend gedrag niet op de juiste plaats terecht en zo verdwijnen incidenten onder tafel. Lammers: ‘Medewerkers zien door de bomen het bos niet meer. Daarom is één loket voor alle meldingen noodzakelijk, dan kunnen de zaken vervolgens worden uitgesplitst. Zolang maar glashelder is wie wanneer ingeschakeld moet worden.’ Ze pleit daarnaast voor één registratiesysteem. ‘Instellingen noteren incidenten vaak in allerlei verschillende dossiers. Zo kun je gegevens nooit analyseren en dat is juist cruciaal, omdat je dan kunt werken aan preventie. Ook hier geldt: het kost veel tijd, maar als je seksueel misbruik wilt tegengaan moet je wel investeren.’
Verouderd protocol
Van incident tot fundament heeft in de gehandicaptensector al veel lof geoogst. Jenneke van Veen van de Inspectie voor de Gezondheidszorg zei over de handreiking: ‘Het is zeer compleet en biedt een uitstekende basis voor goed beleid in de zorg rond de aanpak van seksueel misbruik.’ Een van de instellingen die de handreiking heeft omarmd is Philadelphia. Orthopedagoog Esther Primowees herziet momenteel met twee collega’s het beleid van Philadelphia rond relatievorming, intimiteit en seksualiteit, en maakt daarbij dankbaar gebruik van de handreiking. Het huidige protocol seksueel misbruik van Philadelphia mist handvatten voor begeleiders, zegt Primowees. ‘Toen we in 2006 op een studiedag kennismaakten met deze handreiking hebben we er meteen gebruik van gemaakt. We hebben een jaar lang het Verbetertraject preventie seksueel misbruik van Zorg voor Beter gevolgd (zie kader) en aan de hand van het instrument een risicoanalyse uitgevoerd bij drie locaties. We ontdekten bijvoorbeeld dat op een locatie cliënten zich onveilig voelden, omdat de deur niet goed dicht viel. Het lijkt een detail, maar sinds de deur beter sluit voelen cliënten zich een stuk veiliger.’ Philadelphia richt zich volgens Primowees veel intensiever dan vroeger op preventie. ‘Mag een nachtzoen? Neem je een cliënt mee naar huis? Met dat soort vragen houden we ons nu veel meer bezig. Nog niet in ieder ondersteuningsplan staat iets over seksualiteit maar daar werken we hard aan.’ Ze noemt vooral de checklisten nuttig. ‘We gebruiken Van incident tot fundament ter controle, we wandelen er als het ware doorheen.’ Het nieuwe protocol seksueel misbruik moet kort na de zomer af zijn. In de toekomst wil Philadelphia bij alle 650 woonvoorzieningen een risicoanalyse laten uitvoeren.
Praktijk
Stichting Prisma werkt al jaren intensief samen met Movisie en de instelling heeft een belangrijke bijdrage geleverd aan de totstandkoming van Van incident tot fundament. ‘In 1998 waren meerdere van onze cliënten betrokken bij een geval van seksueel misbruik. Naar aanleiding daarvan zijn we gaan samenwerken met Movisie, wat toen nog Transact heette’, vertelt bestuurder Peter Nouwens. Veel van de aandachtspunten uit de handreiking zijn terug te zien in het beleid van Prisma. ‘We maken gebruik van een zaakcoördinator, we hebben op elke locatie een aandachtsfunctionaris en elke nieuwe medewerker moet verklaren dat hij niet betrokken is geweest bij incidenten.’ Alleen door seksualiteit in te passen in het algemene beleid wordt volgens Nouwens seksualiteit bespreekbaar. ‘We krijgen elk jaar veertig meldingen van incidenten of mogelijke incidenten. Vroeger was dat veel minder, omdat mensen toen niet durfden te praten.’ Hij vindt het cruciaal dat het seksualiteitsbeleid op de locaties wordt aangestuurd en niet vanuit de ivoren toren. ‘We moeten al op zoveel dingen letten en alles concurreert met elkaar. Daarom hebben we aandachtsfunctionarissen. Zij fungeren als vraagbaak en zorgen ervoor dat iedereen op de voorziening scherp blijft en seksualiteit niet in de kast verdwijnt.’ Ook creatief therapeut Adele Heppner van Cordaan hanteert het instrument. Zij vindt het een goede manier om seksualiteitsbeleid in te bedden en waarschuwt dat instellingen daar nog onvoldoende mee bezig zijn. ‘Het moet meer prioriteit krijgen. Seksualiteit zit nog onvoldoende verankerd in zorgplannen, men wordt pas wakker na een incident. Dit instrument is een goed en praktisch handvat om te voorkomen dat seksualiteit blijft liggen.’ Marijke Lammers ziet toch het gevaar dat seksualiteit ondanks het uitbrengen van deze handreiking onder tafel verdwijnt. Ze hoopt daarom dat veel meer instellingen een beleid scheppen waarin seks geen losstaand hoofdstukje is. ‘Cliënten zijn heel kwetsbaar en afhankelijk. Ze willen zo graag hun angsten kwijt, maar hebben te vaak het gevoel dat dit niet kan. En dan kan het ineens te laat zijn. Als een instelling geen veilige atmosfeer schept, kun je nog zoveel handreikingen in de kast hebben staan, maar dan zakt na een tijdje alle goede wil weer weg.’

